Over Jacobus 5: 13-18
Lezing door ds. G.G.S. van Hoogstraten
uitgesproken in april 2003 op een gemeente-avond
van wijk 1 van de Hervormde Gemeente te Stolwijk
Jacobus 5: 13-18
13 Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden.
Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen.
14 Is er iemand bij u ziek?
Laat hij dan de oudsten van de gemeente tot zich roepen,
opdat zij over hem een gebed uitspreken
en hem met olie zalven in de naam van de Heer.
15 En het gelovige gebed zal de lijder (de zieke) gezond maken,
en de Heer zal hem oprichten.
En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.
16 Belijdt daarom elkaar uw zonden en bidt voor elkaar, opdat gij genezing ontvangt.
Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.
17 Elia was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang;
18 en hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten.
I Historisch overzicht in vogelvlucht
In de eerste eeuwen deed men nog letterlijk wat in de brief van Jacobus vanaf vers 14 van H. 5 geschreven staat. Men stond toen, in tijd, nog dicht bij de apostelen, van wie in Marcus 6 geschreven staat, dat zij, toen ze nog discipelen waren, reeds predikten, boze geesten uitdreven en vele zieken met olie zalfden en hen zo genazen.
Bovendien gaat het hier om een gebruik, dat bij de Joden reeds lang voor Christus bekend was. Rabbi’s brachten ziekenbezoek, baden met de zieken en brachten deze zonodig tot belijdenis van zonden. Daarbij gebruikten zij olie, een gebruikelijk medicijn in de vroege geneeskunst, dat steeds bij de hand was. De olie werd echter behalve als een middel, dat het schrijnen van wonden verzacht, ook gezien als een voertuig van geestelijke krachten. Vandaar de zalving van het hoofd van de zieke ter vertroosting en innerlijke versterking.
In de begintijd van de Christelijke gemeente was dit dus nog in zwang bij ziekte binnen de grenzen van de gemeente, zo goed als er buiten die grenzen wonderen en tekenen plaatsgrepen, een enkele maal zelfs een dodenopwekking.
Al gauw, dat wil zeggen in de derde, begin vierde eeuw is het met dit alles afgelopen.
Omdat er door Jezus een jaartal bij was gezet? Tot zolang en niet verder?!
Geenszins, al zijn er nog zoveel mensen die in die richting denken.
Ik zie heel andere redenen hiervoor: In de vierde eeuw braken de godsdiensttwisten uit: ketters verkondigden vreemde leringen.
Op concilies moest hun leer veroordeeld worden. Maar U weet, hoe het bij zoiets toegaat: Hete hoofden – koude harten, waarin de Heilige Geest niet langer kan wonen en met Hem, wijken de geestesgaven. Met Hem wijkt ook de eenvoudige gehoorzaamheid aan Gods Woord.
Er komen allerhande menselijke overwegingen en gedachtespinsels om de hoek gluren.
De donkere middeleeuwen breken aan. Ook voor Jacobus 5 gaat het er donker uitzien!
Na dus volkomen onder de tafel geraakt te zijn, duikt het weer op in de Rooms Katholieke Kerk ter staving van het gebruik, later zelfs het sacrament, van toediening van olie aan stervenden.
En zo wordt Jacobus 5 waarin gesproken wordt van levensherstel, en genezing van de zieke, in zijn tegendeel verkeerd: Het wordt betrokken op de aanstaande dood.
Nu moet ik hier meteen bijzeggen, dat men ook in de R.K. Kerk het onlogische daarvan is gaan inzien, zodat enkele decennia geleden op hoog bevel de term “Sacrament der stervenden” gewijzigd werd in “Sacrament van de zieken”.
Vele R.K. geestelijken hadden al de ervaring opgedaan, dat, wanneer er een zieke gezalfd was, soms niet de dood kwam, maar dat er genezing intrad.
En zo heeft men – ook al dankzij het feit, dat in de R.K. Kerk de Bijbelmeer open is komen te liggen – ontdekt, dat de handeling, waar Jacobus het over heeft, toch een ander is dan een sacrament voor stervenden.
Ik geloof: Wil Jacobus 5 weer werkelijk gaan functioneren in de gemeente zoals de Heer het bedoeld heeft, dan zullen wij weer met hernieuwde, grote aandacht moeten gaan luisteren naar wat er staat in Zijn Woord en daar geen centimeter van afwijken.
Daar zullen wij dan een poging toe wagen.
--------------------------------------------------------------------------------
II Uitleg en toepassing van Jacobus 5
“Is er iemand bij u ziek…” Bij U, wie zijn die “U”?
Dat zijn ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’, tot wie Jacobus zijn algemene zendbrief richt, dat wil zeggen het nieuwe Israël, de Christ-gelovigen van alle plaatsen en alle tijden.
“Is er iemand bij U ziek……” en dan gaat het niet om een griepje, maar om een ernstige ziekte, waarin de dood aan de deur klopt, of een hardnekkige chronische ziekte, waardoor het gelukkige leven van de patiënt bedreigd wordt.
Ja, bij zo’n ziekte, die je verzwakt, die je krachten sloopt, kan het zijn dat je er niet meer alleen tegenop gewassen bent en dat het gebed in de binnenkamer niet meer schijnt te helpen. Je weet gewoon geen raad meer, het vliegt je naar de keel.
“Is iemand onder U ziek in de gemeente, blijf dan toch niet alléén tobben.
Ga dan roepen om hulp”!
Wat dat roepen betreft: Wanneer je echt ziek wordt, dan ga je roepen, dan grijp je naar de telefoon en bel je de dokter, of als je dat zelf niet meer kunt, laat je het voor je doen. Het is prachtig, dat dat mogelijk is: en ik geloof, dat God de doktoren en de ziekenhuizen wil gebruiken en ze vaak machtig inzet in de strijd tegen de ziekten.
En toch moet ik op grond van Gods Woord hier in Jacobus 5 zeggen:
Als dat de eerste en enige opwelling is van de gelovige, wanneer hij zich bedreigd weet door een ernstige kwaal, dan grijpt hij ernaast, want ook de knapste dokter vermag uiteindelijk niets zonder de alles-doordringende Goddelijke Genezingskracht en Jacobus 5 zegt het nu eenmaal in niet mis te verstane bewoordingen: “Is er iemand bij U ziek, laat hij dan de oudsten van de gemeente, tot zich roepen voor gebed!”
Dat wil zeggen: de zieke moet van zijn eigen troontje afstappen.
We redden het immers – als het even kan – graag met menselijke hulp.
En nu de uitdrukking: “oudsten van de gemeente”. Wie zijn dat?
Dat zijn de mensen, van wie wij in Handelingen der Apostelen en in de brieven van Paulus lezen, dat zij in pas gestichte gemeenten aangesteld werden als opzieners, als ouderlingen, als leidinggevende personen dus.
En zijn werden niet “oudsten” genoemd, omdat zij een bepaalde ouderdom bereikt moesten hebben, maar omdat zij blijk moesten geven, de wilde haren kwijt te zijn.
Zij moesten aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Zo schrijft de apostel Paulus aan Titus:
“Ik heb U op Kreta achtergelaten opdat gij in alle steden als oudsten zoudt aanstellen: Mannen, die onberispelijk zijn, een vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten.
Want een opziener moet niet aanmatigend zijn, niet driftig, niet aan wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit, maar:
gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, zich houdende aan het betrouwbare Woord, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen”
Dat is het ideaalbeeld van de oudste, dat wil dus voor ons zeggen: de ouderling de ambtsdrager, zoals hij door de gemeente verkozen is en vertrouwd wordt.
Zo iemand moet dus bereid zijn om, als hij daartoe geroepen wordt, met enkele andere ambtsdragers, samen bij een ziekbed te verschijnen om… Ja, allereerst staat er dan: “Om over de zieke een gebed uit te spreken”.
En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken en de Here zal hem oprichten!
Het gelovige gebed van de oudsten – daar gaat het hier om!
De zieke zelf kan op dat moment, wat z’n geloof betreft, zeer aangevochten zijn; hij kan ook te zwak, te uitgeput zijn om nog te denken, laat staan om bewust een gelovig gebed uit te brengen.
Maar dan, zegt de Heer, mogen er hulptroepen aanrukken. Sterke soldaten uit de militia Christi mogen hun verzwakte makker ondersteunen.
Als één lid van de Gemeente, dat is het lichaam van Christus, lijdt, dan lijden andere leden mee.
Ja, het mag niet zo toegaan als het in het menselijk lichaam toegaat: Als je een wond krijgt, dan snellen de witte bloedlichaampjes toe om de infectie zo snel mogelijk weg te werken.
Als je als lid van Christus’ lichaam, de gemeente, zwak en aangevochten en bedreigd wordt, als de dood je dreigt te overrompelen, dan mogen er anderen toesnellen en je hulp bieden. En hun gebed, mits het gelovig is, wil de Heer horen en er kracht aan verlenen met het oog op de zieke broeder of zuster.
Precies dezelfde gang van zaken dus als wij in de evangeliën herhaalde malen tegenkomen. Bij voorbeeld als wij lezen van de verlamde man, die door zijn vrienden bij de Heer Jezus wordt gebracht, dan staat er:
“En Jezus, hún geloof ziende…”
Natuurlijk is het geloof van de zieke zélf ook van grote betekenis. Jezus kon, lezen wij, in Nazareth geen tekenen doen vanwege het ongeloof van de mensen daar. Het kan ook bij zieken op een muur van ongeloof afstuiten.
Maar om zulke ongelovige zieken gáát het hier in Jacobus niet. Het gaat hier om gemeenteleden, die er zelf niet meer tegenop kunnen en in geloofsgehoorzaamheid doen wat Gods Woord in zulke gevallen voorschrijft: De leiders van de gemeente bij zich roepen, opdat op hun gelovig gebed de Heer Zich zal ontfermen.
En wat er met dat ‘gelovig gebed’ nu precies bedoeld wordt, zegt Jacobus in het eerste hoofdstuk van zijn brief (Jac. 1: 6-8). Daar zegt hij: Bidden in geloof, dat is
“in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt lijkt op een golf van de zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zo iemand moet niet menen, dat hij iets van de Heer zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is…”
De ongelovige bidder, dat is de persoon die van binnen verdeeld is; er is in zijn ziel een ja en tegelijk een nee, waartussen hij wordt héén en wéér geslingerd; dat ja en dat nee heffen elkaar op en er gaat geen enkele kracht van zijn gebed uit. De ongelovige bidder bij het ziekbed is de persoon, die zich innerlijk afvraagt: “Mag ik dit eigenlijk wel doen, om genezing bidden; zou dat Jacobus 5 inderdaad nog voor vandaag gelden? Hoort God mij eigenlijk wel?”.
De gelovige oudste daarentegen bidt met in zijn hart de belijdenis “Ja, Heer, U hebt het gezegd, dat het zo mag, en Uw Zoon Jezus is nog Dezelfde als gisteren en eergisteren (zie Hebreeën 13: 8) en nog stééds zijn er geen grenzen aan Zijn macht voor elk die wond’ren van Hém verwacht”.
Zulk een gebed “zal de lijder gezond maken en de Heer zal hem oprichten”, zegt Jacobus, zo simpel en positief als ik het zélf nooit zou durven zeggen.
Toch ligt het bij diepere beschouwing allemaal niet zó simpel als het wel lijkt. Jacobus legt namelijk bij dit alles op nog twéé andere dingen de nadruk:
1) De zalving met olie.
2) De belijdenis van zonden.
Voorwoord
1) Het zalven van de zieke met olie in de Naam van de Heer.
Olie is niet alleen een ouderwets huismiddeltje, maar ver daarbovenuit is olie in de Bijbel het beeld van de Heilige Geest, van de levensvernieuwing door Gods kracht.
Wanneer iets of iemand met olie gezalfd werd, dan betekende dat: volkomen toewijding aan de Heer.
Zo werden in het Oude Testament de koning, de priester en de profeet gezalfd tot hun bijzondere ambt. Daarmee werd uitgedrukt: Ge leeft nu voortaan voor Gods rekening.
De kracht van Zijn Geest wil U van binnen vernieuwen en al Uw denken, spreken en handelen heiligen, opdat het Hem toegewijd mag zijn!
In het Nieuwe Testament is het bijzondere ambt van koning, priester en profeet weggevallen en omgezet in het algemene ambt, waarin elke gelovige mag staan.
Iedere Christen is koning, want in Koning Christus is hij meer dan overwinnaar (Rom. 8: 37).
Iedere Christen is priester, want: bewogen door- en vervuld van de gezindheid van Zijn Heer mag hij een bemiddelende functie uitoefenen tussen God en zijn medeschepselen, die nog in het duister liggen.
Iedere Christen is profeet en mag, op grond van Gods Woord, influisteringen van Gods Geest nazeggen voor wie maar luisteren wil.
Wanneer nu deze Christen ziek wordt mag er, naast het gebed voor zijn genezing, de zalving zijn, waarmee opnieuw aan hem bevestigd wordt: het ambt aller gelovigen. Het is een teken ter bemoediging van het verzwakte geloof van de zieke, dat God hem nog gebruiken wil.
Zoals de handoplegging een teken is, dat de Heer Zijn hand op ons legt, zoals brood en wijn tekenen zijn van het gebroken lichaam en het vergoten bloed van Christus, zoals het water bij de Doop een teken is van de verzoenende dood van Jezus, zo is de zalving van de zieke een teken: de Heer neemt je voor Zijn rekening, Zijn Geest zal je nieuw leven inblazen, je wordt Hem volkomen toegewijd. Je lichaam mag een tempel van de Heilige Geest zijn, niet langer uitgeleverd aan de machten van de duisternis!
Wanneer dus een zieke in de gemeente de oudsten tot zich roept en hen vraagt met hem te handelen naar Jacobus 5, dan moet er meer achter zitten dan alleen:
Als ik maar weer beter word. Dan moet er in het hart van die zieke ook werkelijk de vurige begeerte zijn, om met zijn genezen lichaam de Heer beter te kunnen dienen en Hem, staande in het drievoudig ambt der gelovige, geheel toegewijd zijn.
2) De belijdenis van zonden.
Letterlijk staat er:
“En als de zieke zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkaar uw zonden en bidt voor elkaar, opdat gij genezing ontvangt.”
In het algemeen gesproken bestaat er verband tussen zonde en ziekte; en zo ook tussen vergeving en genezing.
Dat wil echter niet zeggen, dat er verband moet zijn tussen een persoonlijke zonde en een bepaalde ziekte die iemand krijgt.
Als wij ons op dat spoor gaan bewegen, komen wij heel gemakkelijk in gezelschap van de vrienden van Job. Dan zeggen wij: “Ja Job, je bent ziek geworden, maar je zult dan ook wel erg gezondigd hebben”.
Dan gaan wij vragen, zoals de discipelen het vroegen bij de blindgeborene: “Wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blindgeboren moest worden?” (Johannes 9: 2)
Jezus wijst dit ten scherpste af. “Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders…”
En toch is het mogelijk, dat iemand door een bepaalde ziekte ontdekt wordt aan een bepaalde grove zonde. Maar dan zal de Heer dat die zieke duidelijk maken. Mensen hebben nooit en te nimmer het recht om tegen zo´n ziek te zeggen:
“Daar zal wel ergens verband liggen, onderzoek jezelf maar eens goed.” Want zo kan het gebeuren, dat zij de zieke dubbel gaan belasten: Behalve zijn lichamelijke last krijgt hij nu ook de geestelijke last op zich geladen, dat hij toch wel een extra groot zondaar moet zijn!
Maar gesteld, dat de Heer het heeft duidelijk gemaakt of dat er andere dingen zijn, die de zieke zwaar op de ziel liggen en waarvan hij zou wensen dat, behalve God, ook enkele mensen ermee op de hoogte waren - en hoe vaak komt dat niet voor - dan wordt deze zieke hier in Jacobus 5 de mogelijkheid geboden geheel open te worden in die kleine huisgemeente tegenover die twee of drie oudsten, die hij heeft laten komen. Voorop moet natuurlijk staan, dat die oudsten kunnen zwijgen als het graf, zelfs tegenover hun gezin. Er moet zelfs een wederkerige openheid zijn, als het goed is. Er staat immers: “Belijdt elkander uw zonden”.
Dus ook als er bij de oudsten bepaalde gedachten zijn over de zieke en zijn ziekte, moet dat openlijk uitgesproken worden, de sfeer moet gezuiverd worden, men moet weten wat men aan elkaar heeft.
En dan is er nog wat. Dan is er nog dat vertroostende: “En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden”.
In naam van de Heer mag dus in zo´n kleine huisgemeente het bevrijdende woord klinken, zoals dat iedere zondag in wijdere kring in de kerk klinkt: “Als dienaren van Jezus Christus verkondigen wij U de vergeving der zonden”.
U voelt: Zo wordt het juiste klimaat geschapen voor het gebed om genezing. Nu kunnen er wonderbare krachten vrijkomen van Gods kant. Hier is het dezelfde volgorde als Jezus aanhield in zijn gesprek met de verlamde, die door het dak kwam zakken (Mc. 2: 1-12) Eerst: “Mens, uw zonden zijn u vergeven” (vers 5). Toen pas: “Sta op, neem uw bed op en ga naar huis!” (vers 11).
U vindt het misschien vreemd van me, maar weet U… ik vind het jammer, dat wij in onze kerken de biecht zijn kwijtgeraakt. Niet de verplichte biecht, maar het gebruik om naar een zielherder te gaan en ten overstaan van hem bepaalde zonden te belijden. Niet de oorbiecht, zoals de R.K. Kerk die kende, want daarbij kan geen sprake zijn van een wederzijdse openheid, maar het eerlijke gesprek met elkaar, het vertrouwen dat het ambtsgeheim nog functioneert en dan ook: Het woord van vergeving, persoonlijk, in Jezus’ naam
Het is er alles bij ons niet meer bij, of beter: praktisch niet meer, want er zijn gelukkig nog enkele uitzonderingen.
Als deze uitzonderingen eens regel mochten worden, dan zouden er heel wat minder zieken zijn dan nu, want in heel veel gevallen hebben lichamelijke ziekten een geestelijke achtergrond. Velen zitten met een stuk onverwerkte schuld, met wrok of teleurstellingen of angst, die zij bij zichzelf opkroppen, zonder het ooit uit te durven praten. Die dingen kunnen langzaam dodend vergif voor het lichaam worden!
Jacobus sluit dit gedeelte af met een voorbeeld.
Als hij heeft gezegd, dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag, doordat er kracht aan verleend wordt, verwijst hij naar Elia, die “slechts een mens was, zoals wij”.
Dat moet hij er wel nadrukkelijk bij zeggen, omdat in de Joodse legenden Elia alom verheerlijkt werd als een mens met bovenaardse macht, reeds bij zijn leven. Al dergelijke gedachtenspinsels worden hier door Jacobus de kop ingedrukt.
“Elia dan, een mens zoals wij, bad een gebed, dat het niet regenen zou op het land, drie en half jaar lang en hij bad opnieuw en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten”.
Over dat eerste gebed, dat gebed van Elia om droogte, zegt het O.T. ons niets.
Maar van dat tweede gebed van Elia, dat gebed om regen, daarvan is ons meer bekend (zie 1 Koningen 17 en 18).
Elia heeft koning Achab voorzegd, dat er nu eindelijk een eind zal komen aan de langdurige droogte en nog wel in krasse bewoordingen: “Vlug, eet en drink, versterk U zo voor de reis naar huis, die U dadelijk zult moeten maken, want daar is het geruis van stortregen.“ ( 1 Koningen 18:41). Niemand hoort of ziet iets, de lucht is staalblauw als altijd, maar Elia spreekt van een “geruis”! En dan gaat Achab heen om de inwendige mens te versterken en Elia…….. hij gaat de Karmel weer op, de berg van zijn overwinning tegenover de 450 Baäl-priesters.
En daar op die berg, waar hij zo-even nog fier opgericht stond en de hele heidense bende tartte en tenslotte bewees, dat Jahweh de Levende God is, door vuur van de hemel af te bidden – daar op diezelfde berg is het dat diezelfde Elia nu helemaal in elkaar kruipt: ”Hij boog zich ter aarde en legde zijn aangezicht tussen zijn knieën.”
Zó deemoedig kan een grote geloofsheld worden, zo klein, zo helemaal niets meer.
Elia moet nu zijn profetie tegenover Achab gaan wáár maken en dat wil voor hem zeggen: wáár bidden.
Zijn hele houding is een schreeuw tot God: “O Heer, zonder U bén ik niets en kán ik niets. O Heer, doe nu wat Gij beloofd hebt. Wees barmhartig en schenk regen.
O Heer, maak mij niet beschaamd.”
Tot zeven maal toe is er die noodkreet van Elia in het stof en dan…… “een wolkje als een mans hand”. En de kleine Elia is plots weer de gróte Elia, die de berg afsnelt en in een zware stortregen voor de wagen van de koning uitrent als een levend danklied aan God, die de regen doet vallen.
Met die éne tekst over de profeet Elia schildert Jacobus ons voor ogen, hoe hij het eigenlijk bedoelde, toen hij sprak over het gebed van de oudsten rond het ziekbed.
Achab en heel zijn verdorstende volk - dat is de zieke. Elia dat is de oudste, die met en voor hem of haar in gebed gaat. En zoals Elia bad, zo moeten de oudsten rond het ziekbed bidden, niet fier opgericht: ”hier zijn wij en door ons gebed zullen we het wel eens even klaren.” Maar met het hoofd tussen de knieën, héél klein en héél deemoedig: ”O God, wij kunnen het niet. O God, wilt u in uw eindeloze barmhartigheid dit armzalig gebed aanhoren en doen wat U beloofd hebt door de pen van Jacobus. O God, schenk genezing en laat ons niet beschaamd staan!”
En die oudsten zullen dan ook de genezen zieke wijzen op en voorgaan in de uitbundige dankzegging voor de genezing.
De Héér wil er de éér van hebben – dubbel en dwars!
Mensen moeten worden tot levende dankliederen, lofzeggingen van vlees en bloed!
Het kan zijn, dat u denkt: Elia was wel een mens zoals wij, maar wij zijn nog geen mensen zoals Elia er één was en zolang wij als gemeente en als oudsten dát vuur, díe toewijding, díe deemoed missen, moeten we ons maar liever niet vergrijpen aan Jacobus 5, maar het laten liggen voor later. Zo kan er dan naast het “dat gold alleen voor vroeger” een “dat geldt misschien voor later” bijkomen.
Maar ik ben er zeker van, dat dergelijke gedachten niet uit God zijn. Ik geloof, dat het in Jacobus 5 gaat om het herstel van de Gemeente als een aan de Heer toegewijde gemeenschap der heiligen. En dat, als wij Jacobus 5 laten liggen, wij een belangrijk middel tot dat herstel veronachtzamen!
Zo mogen wij de weg gaan van Jacobus 5, niet alléén opdat de zieken genezen worden, maar –ver daarboven uit- óók … opdat de gemeente genezing mag vinden en haar gebrokenheid geheeld mag worden.
De oudsten gaan dan weer beseffen tot welk bijzonder ambt zij geroepen zijn; de gemeenteleden krijgen weer oog voor het ambt der gelovigen, dat zij in de kerk en in de wereld hebben te bekleden en waartoe zij – bij verzwakking der krachten – opnieuw mogen worden gewijd door de zalfolie. Oudsten én gemeente samen worden open voor elkaar en gaan samen een gebed bidden, zoals Elia een gebed bad, met het hoofd naar beneden. De eigenwaardigheid wordt prijsgegeven; de gemeenschap der heiligen wordt hersteld, eerst in kleine kring, in de huisgemeente van drie of vier, maar het kan doorwerken en de sfeer in de grotere kerkgemeente kan zo langzaam maar zeker gezuiverd worden.
III Enkele opmerkingen tot slot:
In het door alles heen vasthouden aan Gods beloften en het gehoorzaam zijn aan zijn bevelen schuilt een stuk ontwaking, een stuk gemeenteopbouw. En ook als bepaalde gebeden niet worden verhoord dan moeten we ons niet laten afschrikken, maar dankbaar erkennen:
Dat uit het samen worstelen, het samen aangevochten worden, het samen afgebroken worden, een grote zegen voortvloeit voor de gemeente.
Dat Gods gedachten hoger zijn dan de onze en Zijn wegen dieper gaan. Hij kan in Zijn diepe wijsheid de uiterlijke genezing laten uitblijven, opdat de innerlijke genezing, die van het hart, volkomen doorwerkt.
Dat God verhoort bóven bidden en bóven denken.Als wij bidden om genezing van ziekte, kan Hij wel eens de Grote Genezing schenken aan Zijn moegestreden kind, door het dwars door het donkere doodsdal heen, naar Zich toe te halen, opdat het, verlost van zonde en pijn, in eeuwigheid bij Hém zou zijn.
Als u op het punt van de genezing van de kleine enkeling en het grote geheel der gemeente, beter geïnformeerd wil raken, dan moet u eens het boek van de franse predikant Ds. Martin gaan lezen. “De dienst der genezing in de kerk” heet het. Het is in het Nederlands vertaald en voor ieder begrijpelijk. In dat boek vertelt de schrijver heel openhartig, dat een zieke in zijn gemeente hem eens vroeg om met haar te handelen naar Jacobus 5. Hij heeft toen gezegd: ”Mevrouw, daar bent u nog niet rijp voor; daar u moet nog eens rustig over nadenken en ook alle consequenties die dat voor u meebrengt eens goed onder ogen zien!” Maar toen hij thuis kwam en zich voor God verootmoedigde, wist hij: “Ik ben er nog niet rijp voor. Misschien zíj wel.”
Toen drie maanden later het verzoek wéér kwam, had hij niet meer de moed om “nee” te zeggen. Toen heeft hij een collega gevraagd mee te gaan, (noodoplossing). Hij wilde – of kón – zijn kerkenraad, zijn mede-oudsten in die gemeente, niet vragen méé te gaan; toen deed hij het maar met oudsten van een naburige gemeente.
Zij spraken af voor een bepaalde morgen. Een uur van te voren belde de collega af; hij zei, dat hij verhinderd was!
Toen stond Ds. Martin in grote tweestrijd: ” Wat móet ik nu?”
Tenslotte is hij alléén gegaan, met knikkende knieën en met een gebed in zijn hart: “Heer kom mijn ongeloof te hulp”.
Zijn gehoorzaamheid van die morgen heeft God bijzonder gezegend.
Er is op zijn gebed en op de zalving met olie een onmiddellijke genezing ingetreden.
Dit is het begin geworden van een nieuw ontwaken in het hart van de dominee en in de harten van zijn gemeenteleden.
Het is, zoals we het zingen: Niet ons ongeloof en onze waan, ons gelóóf, al is het nog zo klein, dat ziet Hij aan!
Lof aan Zijn liefde, die ons geloof nooit beschaamt, maar altijd verdiept en eens doet overgaan in aanschouwen!